In ontelbare cursussen heb ik ’t ontelbare keren gehoord: “Denk niet in ‘als…, dan…’-termen, alles klopt altijd, alles gebeurt met een reden en alles komt altijd goed.
En door de jaren laat je de dingen los. Je weet het wel maar trapt er toch weer in. Zoals de voorbije weken. “Als we verhuisd zijn, dan…”. “Als het parket zijn vernislaag heeft gehad (as we speak), dan…”. “Als het tuinhuis er staat, dan…”. “Als het zomer wordt, dan…”. “Als het Paasweekend is, dan…”.
It hit me, opeens, deze week, die avond, 3 avonden geleden, toen ik in een uitklapbed kroop in een kleurrijke ziekenhuiskamer, waar onze oudste ineens was beland. Toen viel het me weer binnen, eindelijk weer. Dat het zo niet werkt. Want het is bijna Pasen en de vernis wordt op dit moment geschilderd maar voor de rest loopt deze week nièts zoals gepland. En toch blijft het lopen, omdat we godzijdank experts zijn in planning en onszelf toejuichen als de hele puzzel toch weer in elkaar valt. Het viel me weer binnen hoe het leven constant, elke seconde, als zand tussen onze vingers vloeit en valt en beweegt en heen en weer golft, mee met de wind, mee met de stroom. En hoe heerlijk ik het vind om daarin mee te bewegen. Niet star, niet vastgeankerd aan de illusie van “als…, dan…” maar mee met wat zich aandient.
En hoe gelukkig je jezelf prijst als wat zich aandient in het bloed van je 3-jarige dochter waarschijnlijk (de waarheid van morgen zal het ons hopelijk bevestigen) niet meer of niet meer minder zal geweest zijn dan een bacterie die haar even kwam bezoeken. Ze had achteraf gezien een aantal van de symptomen die ik vandaag in een krant las, die pasten bij die vreselijke hersenvliesontsteking waar een ander prachtig meisje deze week zo gruwelijk door weggerukt werd…
Dan besef je het geluk toch maar weer. En de fragiliteit ervan. In de onschrijfbare handleiding die bij kinderen hoort, is er niemand die vooraf kan duidelijk maken hoe diep ze in je hart kruipen, die kleine grote heerlijke snottebellehoestkotslachprinsessen.
Wij hebben het geluk om nu al drie nachten vrij relaxed een ziekenhuiskamertje met haar te delen, in de veronderstelling dat we er morgen kind en knuffels bijeen pakken en misschien nooit zullen weten welk bacteriebeest op bezoek kwam. Maar gewoon naar huis, terwijl zoveel anderen er nog een tijdje zullen moeten blijven, in vaak minder blije omstandigheden.
En ik, ik ben thuis en het kleine wilde zusje ligt languit en horizontaal naast mij in het grote bed. Ongeveer een jaar geleden lag zij in datzelfde ziekenhuis, in dezelfde gang maar aan de andere kant. De voorbije dagen kwam ik iets te vaak langs het onderzoekkamertje waar zij toen wèl zeer onaangename testen onderging, die dagen kregen we veel verontrustendere berichten en ze was nog zoveel jonger. 7 weken en zeer ziek. Een dag of 5 later weer bijna helemaal opgeknapt. Hoe snel ze ziek kunnen worden, net zo snel lijkt het alsof er niets aan de hand was. Ze kunnen geen komedie spelen. Je geeft hen een beetje siroop, even later spelen ze weer als vanouds, om een paar uren later weer in de lappenmand te belanden.
Kinderen brengen een heftigheid met zich mee die alles overstijgt. En misschien praat ik er iets teveel over? Ik hou nu eenmaal van heftigheid. En van hen.
En gelukkig is er koffie.